De vierdeklassers zijn 9 à 10 jaar. Een ‘moeilijke’ leeftijd volgens veel ouders en leerkrachten. De vanzelfsprekendheid waarmee het kind tot deze leeftijd alles opnam, verdwijnt. Meester of juf is niet langer de natuurlijke autoriteit die alles weet en kan. “Juf weet wel veel, maar heeft zo’n rare neus, belachelijk gewoon.” Voelde het kind zich voorheen nog als vanzelfsprekend opgenomen in de omgeving, nu is er een breuk ontstaan tussen ‘ik’ en ‘de wereld’. Het kind voelt zich teruggeworpen op zichzelf en is soms erg eenzaam. Er kan een sterk bewustzijn van de dood ontstaan. Het kind gaat twijfelen. Zijn mijn ouders wel mijn ouders of ben ik misschien een vondeling? Waar haalt juf eigenlijk haar kennis vandaan? De kritiek kan scherp zijn, ook op andere kinderen en uiteindelijk op zichzelf. De scheiding tussen ‘ik’ en ‘de wereld’ heeft een positieve keerzijde: de eigen individualiteit kan beter beleefd worden. Voor de opvoeder is het van belang met humor en begrip met de kinderen om te gaan.

Spreekwoorden en gezegden, breuken en splitsen

Door het jaar worden verhalen verteld uit de ‘Edda’. Dit is een Noors-Germaanse mythologie waarin de Goden een voortdurende strijd leveren tegen de reuzen. Met taal gaan de kinderen verhalen schrijven in verschillende tijden. Aan de hand daarvan komen ze tot het vervoegen van werkwoorden in verschillende tijden. De tien woordsoorten worden aangeboden en geoefend. Met spelling krijgen de kinderen steeds moeilijkere woorden. Er wordt aandacht besteed aan spreekwoorden en gezegden. De kinderen rekenen met getallen boven de duizend. De tafels van vermenigvuldigen worden onderhouden en het cijferen wordt uitgebreid. Nieuw in de vierde klas zijn de breuken. De één als geheel die op allerlei manieren te delen is. De klas staat bijvoorbeeld in een kring, die in tweeën en in drieën kan worden gesplitst.

Eerste spreekbeurt over een cavia of konijn

De kinderen krijgen een dierkundeperiode. Er wordt over verschillende dieren gesproken. Over hoe ze zijn in hun omgeving en wat ze eten. De kinderen houden een spreekbeurt over een zelfgekozen dier. In een eerste aardrijkskunde periode leren de kinderen plattegronden maken en lezen. Ze leren hoe Zuid-Holland eruit ziet met zijn meren, dijken en polders. Voor het eerst krijgen de kinderen nu topografie. In de tweede aardrijkskunde periode leren de kinderen de ontstaansgeschiedenis van Zoetermeer. Over de tijd dat de Romeinen in ons land waren. Ze maken als verwerking buiten van zand een castellum* na. Het belang van de rivier de Oude Rijn komt uitgebreid aan bod en de kinderen leren welke wijken er allemaal zijn in Zoetermeer. De leerlingen sluiten het schooljaar af met een toneelstuk geïnspireerd op de ‘Edda’.

Ze krijgen hun rapport, getuigschrift en een spreuk van de juf of meester. Op naar klas vijf.

* Een fort voor hulptroepen (Latijn: auxilia) van het Romeinse Rijk (bron: Wikipedia.)