De eersteklassers zijn nog niet altijd meteen ‘kleuter af’ als zij in de eerste klas komen. Wel zijn ze meestal begonnen met tanden wisselen. De kinderen vinden het spannend dat ze nu echt gaan leren! Gelukkig mag er aan het begin van het jaar ook nog worden gespeeld. Juf of meester heeft al een poppenbedje en een hijskraan klaarstaan voor de nieuwe eersteklassers. Tijdens de les wordt gezongen met bewegingen erbij, de getallen worden gesprongen en gelopen, de kinderen oefenen met touwtje springen of evenwichtlopen.

Schrijven en lezen

De kinderen hebben een eigen tafeltje waar ze aan werken. In hun kastje ligt een etui waar mooie bijenwaskrijtjes in zitten en een vers geslepen potlood. Door het hele jaar heen worden sprookjes verteld. In deze verhalen strijden goed en kwaad met elkaar. Door moed, wijsheid of slimheid overwint het goede. De eersteklasser leeft en leert nog sterk vanuit de verbeelding. Daarom worden de letters van het alfabet aan de hand van de vertelde sprookjes aangeboden. Zo kan bijvoorbeeld uit het beeld van de koning de ‘k’ geleerd worden. Ze leren al snel zelf woordjes schrijven en woordjes lezen.

De zon, de wereld, ik!

Met rekenen maken de kinderen in eerste instantie kennis met de kwaliteit van de getallen. Waar in de wereld is er maar één van? De zon, de wereld, ik! Waar kom je ‘twee’ tegen? Licht en donker, vader en moeder. Daarna komt het tellen en sorteren van hoeveelheden. Kastanjes en eikeltjes zijn hierbij een goede hulp. Natuurlijk maken de kinderen ook echte sommen.

Er zijn twee heemkundeperiodes. Hier leren de kinderen van alles over de natuur om hen heen. De juf vertelt inspirerende verhalen over de jaargetijden, de elementen en de planten en dieren. In hun periodeschrift tekenen en schrijven de kinderen wat ze hebben geleerd.

Aan het eind van het schooljaar krijgen ze hun rapport, getuigschrift en een spreuk van de juf of meester. Op naar klas twee.