De tweedeklassers voelen zich nu echt groot. Ze worden zich op deze leeftijd bewust van stemmingen en persoonlijke eigenschappen van anderen, maar ook van zichzelf. Ze kunnen ongeremd en zonder pardon opmerkingen maken over andere kinderen, de juf of de meester. De tweedeklasser heeft het hart op de tong. Dat geeft nog wel eens kleine ruzies in de klas.

Het jaar van de fabels

Klas 2 staat in het teken van fabels. Die gaan over dieren met menselijke karaktertrekken. De sluwheid van de vos of de gulzigheid van de wolf. Fabels houden de kinderen een spiegel voor. Daarnaast worden ook heiligenlegenden verteld. Verhalen over mensen die gaandeweg tot inzicht komen: de heilige was niet altijd heilig.

Moeilijke woorden en verhaaltjes schrijven

In de tweede kunnen de kinderen langer achter elkaar doorwerken en zichzelf een doel stellen: het werk moet helemaal af, of het moet heel erg netjes zijn. Naast het zelfstandig werken is er ook in de tweede klas veel beweging. Dit geeft de les een levendig karakter.

  • Met taal leren de kinderen steeds moeilijkere woorden schrijven. Ze oefenen dat op allerlei manieren: met stempels, letters uit de krant, woordjes hinkelen op een hinkelbaan met letters. De tweedeklassers gaan ook kleine verhaaltjes maken. In de loop van het jaar leren de kinderen vanuit het vormtekenen aan elkaar schrijven. Ze lezen boekjes op hun eigen AVI-niveau.
  • Met rekenen gaan ze de vier hoofdbewerkingen (optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen) op allerlei manieren oefenen met steeds hogere getallen.
  • In klas twee zijn er ook weer twee heemkundeperiodes.

Aan het eind van het schooljaar krijgen ze hun rapport, getuigschrift en een spreuk van de juf of meester. Op naar klas drie.